|
Home | Vorige pagina
Kinderen en scheiding van de ouders: de woonsituatie enkele jaren later In een eerste webbijdrage beschreven we op basis van rijksregistergegevens het aantal en het aandeel kinderen dat een scheiding van de ouders meemaakte. We specificeerden over welk type van scheiding het ging: een echtscheiding, een feitelijke scheiding van gehuwde ouders, een relatieontbinding van niet-gehuwde samenwonende ouders of een overlijden van moeder of vader. Voorts bekeken we de leeftijd van de kinderen ten tijde van die gebeurtenis (zie Kinderen en scheiding van de ouders: een demografische schets). In deze tweede webbijdrage schetsen we de woonsituatie van de kinderen enkele jaren na de echtscheiding of het overlijden van één van de ouders. We beperken ons noodgedwongen tot die twee gebeurtenissen omdat we geen datum van de feitelijke scheiding of van het uit elkaar gaan van samenwonende ouders hebben. In een derde webbijdrage Kinderen en scheiding van de ouders: gemeentelijke verschillen 1991 - 2004) gaan we in op de gemeentelijke verschillen in 2004 en beschrijven we de veranderingen in de Vlaamse gemeenten tussen 1991 en 2004.
Rijksregistergegevens beschrijven de wettelijke situatie, die kan afwijken van de feitelijke situatie. Zo woont een kind na een echtscheiding officieel bij één van de ouders, terwijl het in realiteit afwisselend bij moeder of vader kan wonen. Een aantal kinderen die officieel bij een alleenstaande ouder wonen, leven mogelijks samen met een stiefouder, die dit niet liet registreren.
De woonsituatie op 1/1/2004
Wanneer kinderen worden geconfronteerd met een scheiding van de ouders, betekent dit zeker niet dat zij de rest van hun kindertijd bij een alleenstaande ouder wonen. Een eerste aanduiding vinden we in de woonsituatie op 1 januari 2004 van de 0- tot 17-jarigen die ooit vóór 2004 een scheiding van de ouders meemaakten (figuur 1). Onder scheiding verstaan we hier zoals in de eerste webbijdrage vier types: echtscheiding, feitelijke scheiding, relatieontbinding van samenwonenden en overlijden van moeder of vader.
Ruim 20% van de kinderen heeft ooit vóór 2004 een scheiding van de ouders meegemaakt. Ruim 6% van de kinderen woont op 1 januari 2004 samen met één biologische ouder en een stiefouder (die al dan niet met elkaar getrouwd zijn), meestal een stiefvader. Bijna 1% van de kinderen behoort samen met één van hun ouders tot het huishouden van een andere persoon, vaak de grootouder(s). 13% van de kinderen woont bij een alleenstaande moeder (11%) of een alleenstaande vader (2%) maar zij kunnen wel na de echtscheiding en vóór 2004 een tijdlang met een stiefouder hebben samengewoond. Dit is niet te achterhalen in onze gegevensbank (Lodewijckx, 2005).
Figuur 1: Woonsituatie op 1/1/2004 van de kinderen die ooit vóór 2004 een scheiding van de ouders meemaakten, naar leeftijd. Vlaams Gewest. ![]() Figuur 1 vertrekt van de woonsituatie op 1 januari 2004. Er is géén relatie tot de scheidingsduur in deze figuur. Ook de recente scheidingen zitten hierin en deze zitten misschien meer bij de kinderen in een eenoudergezin. Indien we niet de woonsituatie van de kinderen op een bepaalde datum als uitgangspunt nemen maar wel de datum waarop ouders scheidden, dan geeft dit een ander / beter zicht op de totstandkoming van nieuwe leefsituaties na de scheiding (figuur 2).
De woonsituatie van de kinderen vier jaar na een echtscheiding Figuur 2 toont de woonsituatie op 1/1/2004 van de kinderen waarvan de ouders in 1999 uit de echt scheidden. De ouders kunnen al vóór de (officiële) echtscheiding een tijdlang uit elkaar zijn maar dit is niet te achterhalen. Omdat de 17-jarigen van 2004 13 jaar waren in 1999, is de figuur beperkt tot de 0- tot 13-jarigen.
44% van de kinderen die jonger waren dan 14 jaar op het moment van de echtscheiding woont vier jaar na de echtscheiding samen met één ouder en een stiefouder (die al dan niet gehuwd zijn met elkaar). 56% van de kinderen woont vier jaar na de echtscheiding in een eenoudergezin. Er zijn duidelijke verschillen al naargelang het kind bij de moeder dan wel bij de vader woont. Kinderen die bij hun vader wonen (1.629), hebben een grotere kans om te behoren tot een nieuw samengesteld gezin, waar hun vader al dan niet gehuwd samenwoont met een nieuwe partner. Daarentegen maken kinderen die bij de moeder wonen (9.255), verhoudingsgewijs meer deel uit van een éénoudergezin.
In figuur 2 is ook de leeftijd van het kind ten tijde van de echtscheiding in rekening gebracht. De leeftijd van het kind (en dus ook min of meer van de ouders) op het ogenblik van de echtscheiding is bepalend voor hun woonsituatie enkele jaren later. Dit geldt vooral voor de kinderen die bij hun vader wonen. Hoe jonger de kinderen zijn ten tijde van de echtscheiding, hoe groter de kans is dat zij na vier jaar samenwonen met hun vader en een stiefouder. Meer dan 8 op 10 kinderen die jonger waren dan drie jaar toen hun ouders uit de echt scheidden en die bij hun vader wonen, leeft vier jaar na de echtscheiding met een stiefmoeder samen. Bij meer dan 5 op 10 kinderen is de vader hertrouwd. In het geval van oudere kinderen tijdens de echtscheiding, stijgt de kans dat ze bij de vader alleen blijven wonen. In het geval het kind bij de moeder woont na de echtscheiding, treedt er veel minder variatie op naargelang de leeftijd van het kind ten tijde van de echtscheiding: kinderen, ongeacht hun leeftijd, wonen vier jaar later meestal bij de alleenstaande moeder.
Figuur 2: Kinderen die een echtscheiding meemaakten in 1999 en hun woonsituatie op 1/1/2004, naar hun leeftijd ten tijde van de echtscheiding en naar het geslacht van de ouder bij wie zij wonen. Vlaams Gewest. ![]() Figuur 3 geeft een idee van de veranderingen in de woonsituatie van de kinderen die plaats vinden in de opeenvolgende jaren na de echtscheiding. Is de echtscheiding uitgesproken in 1999 dan gaat het over de woonsituatie van de kinderen vier jaar na de gebeurtenis. Was de echtscheiding in 2003 dan betreft het de woonsituatie minder dan één jaar na de uitspraak.
Meer dan 6 op 10 zeer jonge kinderen die bij de vader verblijven, wonen binnen de 12 maanden na de (officiële) echtscheiding met hun vader en een stiefmoeder samen. Ter vergelijking: voor kinderen die na de echtscheiding bij de moeder wonen, is dit 3 op 10. In de meeste gevallen woont de vader ongehuwd samen met zijn nieuwe partner. Bij bijna 2 op 10 peuters die bij de vader wonen, is hun vader hertrouwd binnen het jaar na de echtscheiding.
Naarmate er meer jaren na de echtscheiding zijn verstreken, wonen er verhoudingsgewijs meer kinderen met een stiefouder samen. Deze aandelen liggen veel hoger voor de kinderen die bij hun vader wonen. Naarmate de echtscheiding langer geleden is en de kinderen bij hun vader wonen, komt gehuwd samenwonen vaker voor dan ongehuwd samenwonen van de vader. Wanneer kinderen bij hun moeder wonen, komt, vier jaar na de echtscheiding, ongehuwd samenwonen van de moeder vaker voor dan gehuwd samenwonen. Toch blijft het eenoudergezin hier de meest voorkomende leefvorm, voor kinderen van alle leeftijden.
Figuur 3: Kinderen die een echtscheiding van de ouders meemaakten tussen 1999 en 2003: hun woonsituatie op 1/1/2004, naar hun leeftijd ten tijde van de echtscheiding, naar het geslacht van de ouder bij wie zij wonen, en naar de tijd verlopen sinds de echtscheiding. Vlaams Gewest. ![]() De woonsituatie na een overlijden van een ouder In vergelijking met de kinderen van echtgescheiden ouders hebben de kinderen van verweduwde ouders minder kans om enkele jaren later met een stiefouder samen te wonen (vergelijk figuur 2 en figuur 4). Multivariaat bekeken blijkt de kans vijf maal kleiner te zijn (Lodewijckx, 2005). Voorts vinden we dezelfde tendensen als bij de kinderen van echtgescheiden ouders. Kinderen van een verweduwde vader wonen vaker in een nieuw samengesteld gezin dan kinderen van een verweduwde moeder. De kans wordt groter naarmate de kinderen jonger zijn op het tijdstip van het overlijden van de ouder. Dit is vooral duidelijk bij kinderen van weduwnaars. Het aandeel kinderen dat met een stiefouder samenwoont, neemt slechts langzaam toe naarmate het overlijden langer geleden is (figuur 5).
Figuur 4: Kinderen die een overlijden van een ouder meemaakten in 1999 en hun woonsituatie op 1/1/2004, naar hun leeftijd ten tijde van het overlijden en naar geslacht van de verweduwde ouder bij wie zij wonen. Vlaams Gewest. ![]() Figuur 5: Kinderen die een overlijden van een ouder meemaakten tussen 1999 en 2003: hun woonsituatie op 1/1/2004, naar hun leeftijd ten tijde van het overlijden, naar het geslacht van de verweduwde ouder bij wie zij wonen, en naar de tijd verlopen sinds het overlijden. Vlaams Gewest. ![]() Ter afronding Rijksregistergegevens, geanalyseerd vanuit het kindperspectief, wijzen onmiskenbaar op veranderingen in de leefsituatie van de kinderen. Steeds meer kinderen maken een scheiding van hun ouders mee (zie Kinderen, ouders en stiefouders op 1/1/2003). Maar kinderen hebben niet enkel de scheiding te verwerken. Veel kinderen wonen enkele jaren na de scheiding samen met een stiefouder, wat opnieuw een aanpassing van hen vergt. Kinderen maken op jonge leeftijd een scheiding mee en zij worden er op steeds jongere leeftijd mee geconfronteerd (zie Kinderen en scheiding van de ouders: een demografische schets). Dit impliceert dat zij nu meer dan de kinderen uit voorgaande geboortecohorten kans hebben om op een gegeven ogenblik met een stiefouder samen te wonen. Dit geldt vooral voor kinderen die na de scheiding bij hun vader wonen. De meeste kinderen wonen na de scheiding met hun moeder samen. Zij wonen verhoudingsgewijs meer en een langere periode na de scheiding in een éénoudergezin. Er bestaan tal van aanwijzingen in de sociologische, psychologische en medische vakliteratuur dat dergelijke veranderingen (negatieve maar ook positieve) invloeden uitoefenen op de ontwikkeling van kinderen. Een uitgebreide literatuurstudie hierover is voorzien in de reeks CBGS-werkdocumenten vóór eind 2005 in het kader van het CBGS-onderzoeksproject “Scheiding”.
Auteur: dr. Edith Lodewijckx Bronvermelding: E. Lodewijckx , Kinderen en scheiding van de ouders: de woonsituatie enkele jaren later, CBGS-Sitemap, Uit het onderzoek, 30 september 2005.
|