|
Home | Vorige pagina
Ongehuwd samenwonen in Vlaanderen anno 2003 Hoeveel koppels wonen ongehuwd samen? In ons land kunnen we nog steeds niet exact nagaan hoeveel koppels (officieel of feitelijk) ongehuwd samenwonen. Volkstellingsgegevens, Rijksregistergegevens en survey-gegevens hebben elk hun beperkingen om de omvang van deze groep te bepalen.
Bij de Sociaal-Economische Enquête – vroeger Volkstelling genoemd - van 2001 kon de referentiepersoon van een huishouden nader specificeren welk type niet-verwant(e) persoon in het huishouden – een gegeven uit het Rijksregister – woonde; maar 8.000 Vlamingen deden dit niet. Volgens de Sociaal-Economische Enquête zouden in 2001 in het Vlaamse Gewest minstens 62.000 koppels ongehuwd samenwonen (over alle leeftijden).
Op basis van de jaarlijkse Rijksregistergegevens inzake de samenstelling van de huishoudens kunnen we slechts veronderstellen dat referentiepersonen die met een bepaalde niet-verwant(e) (1) samenwonen, een ongehuwd samenwonend paar vormen. De Rijksregistergegevens betreffen de officiële woonsituatie en die kan afwijken van de feitelijke woonsituatie. Volgens deze databron is sedert de jaren ’90 het ongehuwd samenwonen met een partner ook in Vlaanderen populair geworden. Tussen 1992 en 2003 is het aandeel ongehuwd samenwonenden (in de bevolking van 18 jaar en ouder) gestegen van 3% naar 7%, een flinke toename (+122%), zij het op een laag niveau. De groep ongehuwd samenwonenden is in die periode meer uit nooit-gehuwden gaan bestaan (een stijging van 47% naar 62%). Het aandeel ongehuwd samenwonende paren met inwonende kinderen is ongeveer gelijk gebleven (rond de 40%) (Corijn, 2004). Volgens deze databron woonden in 2003 in het Vlaamse Gewest van alle 20- tot 64-jarigen 59% gehuwd en 9% ongehuwd samen met de partner. Het gaat naar schatting om bijna 83.000 koppels die ongehuwd samenwonen. De overige 20- tot 64-jarigen woonden alleen, bij de ouders of als alleenstaande ouder (Tabel 1) (zie webbijdrage Samenwonen in België anno 2004).
In de CBGS-survey ‘Bevolking en Beleid in Vlaanderen’ werd in 2003 aan een representatieve steekproef van bijna 4.000 personen van 20 tot 64 jaar, wonend in het Vlaamse Gewest, gevraagd hoe ze feitelijk woonden (2) (Tabel 1). Op basis van deze databron blijkt dat - in vergelijking met de schatting op basis van de Rijksregistergegevens voor dezelfde leeftijdsgroep - een iets groter aandeel personen gehuwd samenwoonde (61%) en dat een groter aandeel personen ongehuwd samenwoonde (13%). Ongehuwd samenwonen komt dubbel zo vaak voor bij nooit-gehuwden dan bij niet-meer-gehuwden. Naast de foutenmarge eigen aan de steekproef, kunnen we vermoeden dat een deel van de personen die officieel anders wonen, feitelijk ongehuwd samenwonen met hun partner. Tabel 1: Gehuwd en ongehuwd samenwonen bij 20- tot 64-jarigen op basis van Rijksregister en een CBGS-survey, Vlaams Gewest, 2003 (in %) ![]() Bron: CBGS-bewerking van Rijksregistergegevens en CBGS-survey ‘Bevolking en Beleid in Vlaanderen’ Figuur 1 geeft de burgerlijke staat weer van de 20- tot 64-jarigen die met een partner samenwonen. Volgens het Rijksregister is naast de 86% gehuwden, 9% nog nooit-gehuwd en 5% is ooit-gehuwd geweest (gescheiden of verweduwd). Volgens de CBGS-survey is dit respectievelijk 83%, 12% en 5%. Met andere woorden, 1 op 6 à 7 koppels die samenwonen in het Vlaamse Gewest doet dit (tijdelijk) zonder huwelijk. Bovendien is dit ongehuwd samenwonen vooral een leefvorm vóór het eerste (eventuele) huwelijk (zie webbijdrage Ongehuwd samenwonen in het Vlaams Gewest anno 2004). We schrijven ‘het eventuele huwelijk’ omdat een klein aantal nooit-gehuwden nooit zal trouwen en steeds ongehuwd zal samenwonen. In eerdere bijdragen hebben we aangegeven hoe snel en hoeveel mannen en vrouwen na een echtscheiding of na een verweduwing hertrouwen versus ongehuwd met een partner gaan samenwonen (zie webbijdrage Uit de echt gescheiden en dan ...?) en (webbijdrage Verweduwd en dan ...?).
Figuur 1: Samenwonen met een partner bij 20- tot 64-jarigen naar burgerlijke staat, op basis van Rijksregistergegevens en een CBGS-survey, Vlaams Gewest, 2003 ![]() Bron: CBGS-bewerking van Rijksregistergegevens en CBGS-survey ‘Bevolking en Beleid in Vlaanderen’ In deze bijdrage zoeken we welke betekenis deze leefvorm heeft door na te gaan hoe lang men ongehuwd samenwoont en welke kenmerken de partners hebben. We zijn hiertoe aangewezen op survey-data.
Hoe lang woont men reeds ongehuwd samen? Volgens de CBGS-survey is 13% van de ondervraagden van 20 tot 64 jaar die met een partner samenwonen, (nog) niet gehuwd: de ene helft woont minder dan 2 jaar ongehuwd samen; de andere helft meer dan 2 jaar. Langer dan 10 jaar ongehuwd samenwonen komt slechts bij 1 op 10 van deze groep voor. Gemiddeld genomen woont deze groep nog-niet-gehuwden al 4,5 jaar ongehuwd samen. Volgens diezelfde CBGS-survey is 5% van de ondervraagden die met een partner samenwonen, niet meer gehuwd (gescheiden of verweduwd). De ene helft van hen woont minder dan 4 jaar reeds ongehuwd samen; de andere helft reeds meer dan 4 jaar. Gemiddeld genomen woont deze groep al 6 jaar ongehuwd samen. Met andere woorden, men woont korter ongehuwd samen in de aanloop naar een (eventueel) eerste dan tweede huwelijk.
Hoeveel gehuwden hebben ongehuwd samengewoond vóór het huwelijk en hoe lang? De CBGS-survey leert ons dat van de ondervraagden die op het moment van het onderzoek getrouwd waren, 81% nooit of zeer kort ongehuwd hebben samengewoond met de huwelijkspartner; ze zijn immers in hetzelfde jaar gaan samenwonen en gehuwd (3). Anders gesteld, betekent dit dat 1 op 5 gehuwde paren ongehuwd heeft samengewoond vóór het huwelijk (4). Figuur 2 toont de zeer snelle toename van het voorhuwelijks ongehuwd samenwonen naargelang de periode waarin men gehuwd is. Van de recent gehuwden heeft meer dan de helft een tijd(je) ongehuwd samengewoond vóór het huwelijk. Figuur 2: Ongehuwd samenwonen vóór het huwelijk, naargelang de huwelijksperiode, 20- tot 64-jarigen, Vlaams Gewest, 2003 ![]() Bron: CBGS-survey ‘Bevolking en Beleid in Vlaanderen’
6% van de gehuwden is getrouwd het jaar nadat ze gingen samenwonen met hun partner; 5% heeft 2 jaar gewacht om te huwen en 8% heeft meer dan 3 jaar ongehuwd samengewoond alvorens te huwen. Diegenen die ongehuwd hebben samengewoond vóór hun huwelijk hebben dit gemiddeld genomen 3 jaar gedaan.
Welke ervaring heeft men met ongehuwd samenwonen? De huidige ongehuwd samenwonenden (13% van de totale steekproef in de CBGS-survey) en de gehuwden die ongehuwd hebben samengewoond vóór hun huwelijk (10% van de totale steekproef in dezelfde survey) geven samen een minimale schatting van 23% van de 20- tot 64-jarigen die ervaring hebben met ongehuwd samenwonen. Deze aandelen variëren uiteraard naargelang de leeftijd (Figuur 3). Over de leeftijdsgroepen heen stijgt (de ervaring met) het ongehuwd samenwonen. Bij de oudsten heeft 1 op 10 ervaring met ongehuwd samenwonen; bij de jongste loopt dit op tot 1 op 3. Bij de oudsten betreft het ongehuwd samenwonen in de helft van de gevallen een periode van ongehuwd samenwonen vóór hun huwelijk. Bij de 40- tot 49-jarigen komen de 3 types ongehuwd samenwonen vaker voor; er is zelfs een kleine groep nooit-gehuwden van die leeftijd die ongehuwd samenwoont en voor wie het ongehuwd samenwonen wellicht een alternatief voor een huwelijk is. De 30- tot 39-jarigen hebben veel meer ervaring met ongehuwd samenwonen; zij het voornamelijk voorhuwelijks. Bij de jongsten gaat het vooral om nooit-gehuwden die ongehuwd samenwonen. De gehuwden van deze leeftijd – jong gehuwden – hebben hun huwelijk minder vaak laten voorafgaan door een periode van ongehuwd samenwonen.
Figuur 3: Ervaring met ongehuwd samenwonen naargelang het type, naar leeftijd, Vlaams Gewest, 2003 ![]() Bron: CBGS-survey ‘Bevolking en Beleid in Vlaanderen ’
Wie heeft ervaring met ongehuwd samenwonen? Het ongehuwd samenwonen en de ervaring met het ongehuwd samenwonen vóór het huwelijk is in het Vlaamse Gewest nog zeer sterk gebonden aan de levensbeschouwing (Figuur 4). Voor alle types van ongehuwd samenwonen geldt dat vooral niet-katholieken dit doen en dat vooral praktiserende katholieken dit niet doen. Meteen huwen bij de start van het samenwonen met de partner is vooral een zaak van praktiserende katholieken; het is het minst een zaak voor niet-katholieken. In het begin van de jaren ’90 stelden we via een CBGS-survey eveneens vast hoe sterk die leefvorm samenhing met de levensbeschouwing: binnen de groep nooit-gehuwde 21- tot 40-jarigen die samenwoonden met een partner, woonde in 1991 8% regelmatig praktiserende katholieken ongehuwd samen tegenover 50% niet-katholieken (Corijn, 1994). Bijna 20 jaar later blijft die band nog steeds bestaan.
Figuur 4: Types van ervaring met ongehuwd samenwonen, naargelang de praktijk van levensbeschouwing, 20- tot 64-jarigen, Vlaams Gewest, 2003 ![]()
Ongehuwd samenwonen is in Vlaanderen ook een leefvorm die varieert met het opleidingsniveau (Figuur 5). Als nooit-gehuwden ongehuwd samenwonen is dit anno 2003 vooral een zaak van de hoger opgeleiden. Anno 1991 was dit vooral een zaak van de lager opgeleiden (Corijn, 1994). Hier heeft zich dus in de jaren ’90 een verschuiving voor gedaan. Ongehuwd samenwonen na het huwelijk is anno 2003 vooral een zaak van de lager opgeleiden (5). Gehuwden die meteen getrouwd zijn, komen vooral uit de groep van de lager opgeleiden. Figuur 5: Types van ervaring met ongehuwd samenwonen, naargelang het opleidingsniveau, 20- tot 64-jarigen, Vlaams Gewest, 2003 ![]() Bron: CBGS-survey ‘Bevolking en Beleid in Vlaanderen’
Wat onthouden we? Vooreerst blijkt uit de vergelijking van de databronnen dat de Rijksregistergegevens het ongehuwd samenwonen in het Vlaamse Gewest in geringe mate onderschat.
Hoewel het ongehuwd samenwonen (volgens de Rijksregistergegevens) steeds verder toeneemt, is het aandeel toch nog eerder laag. Het ongehuwd samenwonen is in het Vlaamse Gewest vaak een tijdelijke leefvorm: vóór het huwelijk, na de echtscheiding, na de verweduwing. Voor een kleine groep veertigers lijkt het een alternatief voor het huwelijk te worden. Het is bovendien een leefvorm die nog steeds sterk samenhangt met de levensbeschouwing. In 1991 leken de lager opgeleiden de voorlopers te zijn inzake ongehuwd samenwonen vóór het huwelijk; in 2003 lijken ze de voorlopers te zijn inzake het ongehuwd samenwonen na het huwelijk. Levensbeschouwing en opleidingsniveau blijven m.a.w. twee kenmerken die nog steeds sterk het denken en handelen over niet-traditionele wijzen van relatie- en gezinsvorming bepalen.
(1) Die van het andere geslacht is en niet meer dan 20 jaar ouder is dan de referentiepersoon (zie Lodewijckx, 2001). (2) Ongehuwde en gescheiden mannen waren iets ondervertegenwoordigd in de steekproef (zie Welslau & Corijn, 2004). (3) Enkel het jaar waarin men is gaan samenwonen en het jaar waarin men is gehuwd, zijn gekend. (4) Van diegenen die niet meer getrouwd zijn, weten we niet of ze vóór hun huwelijk ongehuwd hebben samen-gewoond. (5) In 1991 waren er bij de steekproef van 21- tot 40-jarigen te weinig gescheiden personen die met een partner samenwoonden om zinvolle analyses uit te voeren.
Auteur: dr. Martine Corijn Bronvermelding: M. Corijn (2006) Ongehuwd samenwonen in Vlaanderen anno 2003. CBGS-Sitemap, Uit het onderzoek, 31/3/2006.
Referenties: Corijn, M. (1994). Ongehuwd samenwonen in Vlaanderen in Europees perspectief. Bevolking en Gezin, 2, 59-107. Corijn, M. (2004). Ongehuwd en gehuwd samenwonen in België. Feiten en opvattingen vanuit een sociaal-demografisch perspectief. Brussel: CBGS-werkdocument, 8.
|