|
Home | Vorige pagina
De burgerlijke staat van ouderen in 2000 en in 1990. De situatie in het Vlaamse Gewest
Sommige onderzoeken leggen een verband tussen de burgerlijke staat van een persoon – en ook de aanwezigheid van een partner en de relationele geschiedenis – enerzijds en de woonvorm, het zorgnetwerk en het welbevinden (lichamelijke en geestelijke gezondheid) van die persoon anderzijds. In deze bijdrage schetsen wij aan de hand van de rijksregistergegevens de verdeling van de ouderen naar burgerlijke staat in 2000 en de veranderingen die daarin plaatsvonden tijdens de jaren negentig. In een volgende bijdrage zullen we woonpatronen van de ouderen en het verband tussen woonpatronen en burgerlijke staat toelichten.
1. De burgerlijke staat in 2000
In het totaal leven er eind 2000 1.326.628 60-plussers in het Vlaamse Gewest. Daarvan zijn er 744.644 vrouwen en 581.984 mannen. Op alle leeftijden zijn er meer vrouwen dan mannen (figuur 1b). De verschillen in aantallen worden groter vanaf 70 jaar - gemiddeld zijn er ongeveer 6.000 vrouwen meer op elke leeftijd - ze verkleinen terug bij de hoogbejaarden.
Verschillen in de burgerlijke staat van oudere (60+) mannen en vrouwen worden hier beschreven aan de hand van verschillen in aandelen (percentages). Aangezien er niet evenveel mannen als vrouwen zijn, is een verhaal op basis van aandelen niet volledig hetzelfde als dat gebaseerd op aantallen. De tekst wordt dan ook hier en daar genuanceerd door te wijzen op verschillen in absolute aantallen.
Figuur 1a geeft de leeftijdsspecifieke verdeling naar burgerlijke staat, voor mannen (figuur rechts) en vrouwen (figuur links) apart, in percenten. Het meest in het oog springende kenmerk is dat oudere mannen en oudere vrouwen sterk uiteenlopende patronen kennen. Precies daarom heeft het geen zin om een beeld te geven van de totale oudere bevolking. Figuur 1b geeft dezelfde verdeling weer, maar in absolute aantallen.
Figuur 1a. Verdeling (in percenten) van de ouderen naar burgerlijke staat, naar leeftijd en naar geslacht. Vlaams Gewest, op 31/12/2000

Figuur 1b. Aantallen ouderen naar burgerlijke staat, naar leeftijd en naar geslacht. Vlaams Gewest, op 31/12/2000

Voor gedetailleerde informatie: Tabel: Ouderen burgerlijke staat 2000 en 1990.xls
Mannen doorgaans gehuwd; vrouwen veel meer verweduwd
Een eerste gegeven is dat oudere mannen doorgaans meer gehuwd zijn dan vrouwen en dat oudere vrouwen veel meer verweduwd zijn dan mannen (figuur 1). Van alle 60+ jarige vrouwen is 52% gehuwd en 38% verweduwd; van alle 60+ jarige mannen is 78% gehuwd en 12% verweduwd. Dit komt neer op 388.734 gehuwde vrouwen versus 450.770 gehuwde mannen en 281.083 weduwen versus 69.191 weduwnaars. Procentueel bekeken zijn er 3 keer meer vrouwen verweduwd dan mannen maar in absolute aantallen bekeken zijn er zelfs 4 keer meer weduwen dan weduwnaars. Naarmate de leeftijd stijgt neemt het aandeel gehuwden af en neemt het aandeel verweduwde personen toe.
Figuur 2 geeft het verschil tussen vrouwen en mannen in het aandeel gehuwden enerzijds en in het aandeel verweduwden anderzijds. De percentages gehuwde / verweduwde mannen zijn als basis genomen. De verschillen worden weergegeven naar leeftijd. Bekijken we bijvoorbeeld de grafiek rechts die het verschil tussen mannen en vrouwen in het aandeel verweduwden visualiseert. Een positief verschil met waarde 21 bij 70-jarigen betekent dat er 21% meer 70-jarige vrouwen dan mannen verweduwd zijn. Er zijn immers 30% 70-jarige vrouwen en 9% 70-jarige mannen verweduwd (zie figuur 1a). De linkse grafiek toont bijvoorbeeld dat er bij de 82- jarige vrouwen 44% minder gehuwd is dan bij de 82-jarige mannen. Inderdaad, uit figuur 1a blijkt dat 22% van de 82- jarige vrouwen versus 66% van de mannen van die leeftijd gehuwd zijn. Het verschil tussen vrouwen en mannen in het aandeel gehuwden en in het aandeel verweduwden is het hoogst op leeftijd 75-85 jaar en vermindert in beperkte mate op de hoogste leeftijden (figuur 2).
Figuur 2. Verschillen tussen mannen (als basis genomen) en vrouwen in percentages gehuwden (links) en in percentages verweduwden (rechts), naar leeftijd. Vlaams Gewest, op 31/12/2000

Die afname van de verschillen tussen mannen en vrouwen op de hoogste leeftijden is niet terug te vinden in de absolute aantallen. Zowel in de leeftijdsgroep 75-85 als 86+ jaar zijn er ruim vier maal meer vrouwen dan mannen verweduwd (117.642 en 27.892 bij 75-85-jarigen en 52.612 en 12.185 bij de hoogbejaarden).
Een combinatie van factoren ligt aan de basis van deze verschillen tussen mannen en vrouwen. Vooreerst is er de differentiële levensverwachting (Willems, 1999). Hoewel het verschil in levensverwachting tussen mannen en vrouwen verkleint (althans in de ontwikkelde landen) zal dit verschil toch nog geruime tijd blijven. De tweede factor is de praktijk waarbij vrouwen doorgaans jonger zijn dan hun partners bij het huwelijk. Dit gegeven, gecombineerd met de hogere levensverwachting voor vrouwen, leidt ertoe dat meer vrouwen hun partner verliezen dan mannen. Daar komt nog bij dat verweduwde mannen vaker met een nieuwe, jongere partner verder leven dan verweduwde vrouwen. Hier spelen, net zoals bij het leeftijdsverschil tussen partners, de relatiecultuur en de patronen van sociale integratie van mannen en vrouwen een rol.
Aandeel van nooit gehuwden en van gescheidenen is klein
De meeste van de huidige ouderen zijn ooit gehuwd geweest. Zowel bij 60+ jarige vrouwen als bij mannen is er een kleine groep van 6% die altijd ongehuwd was. Er zijn 46.009 ongehuwde oudere vrouwen en 37.384 ongehuwde mannen. De verschillen tussen mannen en vrouwen in aandelen ongehuwden zijn gering (hooguit 2% à 3%; figuur 3), en dit geldt voor elke leeftijd. Er is evenwel een verandering op til. Vanaf de leeftijd van ongeveer 75 jaar verandert het patroon: waar in de oudere cohorten er iets meer ongehuwde vrouwen zijn dan ongehuwde mannen, kennen de jongere cohorten verhoudingsgewijs iets meer ongehuwde mannen.
Figuur 3. Verschillen tussen mannen (als basis genomen) en vrouwen in percentages ongehuwden (links) en in percentages gescheidenen (rechts), naar leeftijd. Vlaams Gewest, op 31/12/2000

In de huidige populatie van ouderen, en zeker in de groep van de 70-plussers is het aandeel van gescheiden personen verwaarloosbaar. Zowel van alle 60+ jarige vrouwen als mannen is 4% gescheiden, wat neerkomt op 28.818 gescheiden vrouwen en 24.639 gescheiden mannen. De jongere cohorten (tot 69 jaar) kennen een maximum van 8% gescheiden mannen en 8% gescheiden vrouwen (figuur 1a). Er zijn geen verschillen tussen mannen en vrouwen in de proporties gescheidenen (figuur 3).
2. Evolutie tussen 1990 en 2000
Ook voor de bespreking van de veranderingen tijdens de jaren negentig geldt dat er in feite twee enigszins verschillende verhalen bestaan: één gebaseerd op veranderingen in aandelen en één op basis van veranderingen in aantallen. In 2000 wonen er circa 173.000 60-plussers meer in het Vlaamse Gewest dan tien jaar tevoren. Die toename vindt men zowel bij de vrouwen (657.483 versus 744.644) als bij de mannen (496.219 versus 581.984) en in bijna alle leeftijdsgroepen.
Aandeel verweduwde ouderen daalt, aandeel gehuwden neemt toe
Figuur 4a toont het verschil tussen 1990 en 2000 in het aandeel verweduwden, zowel voor vrouwen (grafiek links) als voor mannen (grafiek rechts). De aandelen verweduwden in 1990 zijn als basis genomen. Het percentage verweduwde ouderen is in 2000 op elke leeftijd geringer dan in 1990. Voor vrouwen zijn de veranderingen in de jaren ‘90 het grootst in de leeftijdsgroep 65-75 jaar. In 2000 is ruim 6% van de vrouwen van die leeftijd minder verweduwd dan in 1990. Voor mannen is de afname in het percentage weduwnaars het grootst na 80-jarige leeftijd (een daling van meer dan 7%).
Hiermee samenhangend is er een evolutie naar een groter aandeel gehuwden bij de oudere bevolking (figuur 4b). De grootste verschillen vinden we bij de 65-75 jarige vrouwen en bij de hoogbejaarde mannen. De situatie van de hoogbejaarde vrouwen is veeleer gelijk gebleven. Er is een omkering in de trend bij de 60-70 jarige mannen. De aankomende cohorten mannen tellen een kleiner aandeel gehuwden dan tien jaar geleden. In de jongere cohorten vrouwen zien we een minder uitgesproken toename van de aandelen gehuwden. Het ziet er dus naar uit dat de toename van het aandeel gehuwden slechts een tijdelijk fenomeen is.
Figuur 4a. Verschillen tussen 1990 (als basis genomen) en 2000 in percentages verweduwde vrouwen (links) en in percentages verweduwde mannen (rechts), naar leeftijd. Vlaams Gewest, op 31/12/2000

Figuur 4b. Verschillen tussen 1990 (als basis genomen) en 2000 in percentages gehuwde vrouwen (links) en in percentages gehuwde mannen (rechts), naar leeftijd. Vlaams gewest, op 31/12/2000

Voor een deel heeft de ontwikkeling te maken met de verbeterde overlevingskansen van de partners; de huwelijken duren nu langer dan vroeger. Er is bovendien een selectie-mechanisme werkzaam waarbij gehuwden, vooral gehuwde mannen, gezonder zijn en een hogere levensverwachting hebben dan niet of niet meer gehuwden.
Wanneer we de veranderingen in de absolute aantallen bekijken, dan krijgen we een enigszins ander beeld. Zowel het aantal gehuwde 60+ jarige mannen als vrouwen neemt inderdaad toe tussen 1990 en 2000. De aantallen gehuwde mannen nemen toe van 379.937 naar 450.770, voor de vrouwen bedragen de aantallen respectievelijk 319.238 en 388.734. Maar in tegenstelling tot de daling in de aandelen verweduwden tijdens de jaren negentig, stijgt het aantal weduwen van 271.391 naar 281.083 en blijft het aantal weduwnaars nagenoeg even groot (69.857 in 1990, 69.191 in 2000).
Aandeel van gescheidenen is klein, maar neemt toe
Het aandeel van gescheiden ouderen is klein in 2000 (figuur 1a), maar het is wel toegenomen tijdens de jaren negentig (figuur 5). De aangroei is groter in de jongere cohorten. Dit geldt zowel voor vrouwen als voor mannen. Ook in absolute aantallen bekeken, is er sprake van een toename van gescheiden mannen en vrouwen. In 1990 zijn er 14.448 60+ jarige gescheiden vrouwen en 11.520 mannen. In 2000 zijn deze aantallen toegenomen tot 28.818 vrouwen en 24.639 mannen.
Figuur 5. Verschillen tussen 1990 (als basis genomen) en 2000 in percentages gescheiden vrouwen (links) en in percentages gescheiden mannen (rechts), naar leeftijd. Vlaams gewest, op 31/12/2000

De tendens inzake “ongehuwd” is dalend. Zowel bij mannen als bij vrouwen en nagenoeg op elke leeftijd is de proportie ongehuwden in 2000 lichtjes lager dan in 1990. Voor vrouwen bedraagt de daling circa 2%, voor mannen is de afname kleiner dan 1%. In 1990 zijn er 34.905 ongehuwde 60+- jarige mannen, in 2000 bedraagt het aantal 37.384. Voor vrouwen zijn de cijfers 52.406 en 46.009 respectievelijk.
3. Belang van de vaststellingen en toekomstverwachtingen
Rekening houdend met de officiële burgerlijke status zijn mannen meer omringd door een echtgenote en leven vrouwen meer zonder echtgenoot. De verschillen zijn groot. Er is een trend naar afname van deze verschillen maar toch kunnen we ervan uitgaan dat de basisstelling op middellange termijn (tot pakweg 2015) zal behouden blijven.
Verweduwing is belangrijk voor de wijze waarop de oude dag wordt doorgebracht. Verweduwing kan voor veel vrouwen bijvoorbeeld gepaard gaan met een daling in de levensstandaard; ouderen van nu – en zeker de hoogbejaarden onder hen – hebben hun leven doorgebracht in het zogenaamde ‘kostwinnersgezin’. Hoe later de verweduwing, hoe langer wordt geleefd met een hoger inkomen. Een ander voorbeeld is het differentiële effect van verweduwing op het sociale netwerk. Bij oudere mannen krimpt het sociale netwerk in, terwijl het bij vrouwen toeneemt
De toename in het aandeel gehuwden heeft tot gevolg dat de zorgcapaciteit in de directe omgeving van de oudere (het eigen huishouden) toeneemt. Het is bekend dat de eerste verzorger de partner is en dat de meeste zorg wordt opgenomen door de partner. Door de toename van het aandeel gehuwde ouderen, en dan vooral van de hoogbejaarde gehuwde mannen, neemt ook de 24-uurs beschikbaarheid voor zorg toe. Anderzijds draagt deze realiteit van gehuwde koppels op hoge ouderdom ook het risico in zich op een nieuwe problematiek, zoals een gedwongen scheiding (mentaal en/of fysisch) omwille van een slechte gezondheidstoestand van de partner (bijvoorbeeld dementie).
Wanneer we de veranderingen in de absolute aantallen bekijken, dan krijgt men een minder gunstig beeld van de positieve ontwikkelingen in de potentiële zorgcapaciteit. De aantallen verweduwden nemen toe tijdens de jaren negentig.
Belangrijkste factor in de vermindering van de verschillen tussen vrouwen en mannen is de aangroei van gehuwden tot op hoge leeftijd. Uit de detailanalyse van de evolutie tussen 1990 en 2000 blijkt dat deze aangroei is afgevlakt. Nu pas komen de cohorten die in de jaren zestig en zeventig nieuwe gezinsgedragingen hebben op gang getrokken op pensioenleeftijd. Zeker op langere termijn, wanneer deze cohorten vijfenzeventig en ouder worden (dus vanaf 2015) kunnen de patronen er heel anders uitzien. De verwachting is dat het patroon gedifferentieerder en complexer zal zijn en dit omwille van meer ingewikkelde relatie-loopbanen bij de jongere cohorten (die in 2015 60-75 jaar oud zullen zijn). Het denken over deze ontwikkelingen in termen van beleidsrelevantie moet zich hoe dan ook uitsplitsen in een korte- en middellange termijn perspectief enerzijds en een lange termijn perspectief anderzijds.
De evolutie in de proportie gescheidenen is minder uitgesproken dan de veranderingen in de aandelen verweduwden en gehuwden. Niettemin is het aangewezen om deze evolutie op de voet te volgen. Immers, de personen die 60 jaar zijn in 2000, zijn de dragers van de ‘tweede demografische transitie’ (geboren na 1940 en in de jaren ’70 de pioniers van nieuw gezinsgedrag). Dit pioniergedrag werd overgenomen en versterkt door de volgende cohorten. We kunnen er derhalve vanuit gaan dat de aandelen gescheiden personen nog verder zullen toenemen.
Onderzoek naar de financiële situatie en naar het netwerk van ouderen toont aan dat de groep van de gescheiden ouderen bijzondere aandacht verdient (Vanderleyden & Dooghe, 1993). Zeker wanneer er op de scheiding geen nieuwe (samenwonings)relatie volgt en wanneer deze situatie langer duurt, stelt zich een probleem van inkomen, vooral voor vrouwen die tijdens hun levensloop geen behoorlijke pensioenrechten hebben kunnen opbouwen. Voor gescheiden mannen worden problemen gesignaleerd inzake de beschikbaarheid van hun kinderen voor informele zorgverlening maar ze hebben ook een minder uitgebreid sociaal netwerk.
De hierboven genoemde kenmerken inzake burgerlijke staat zijn gemeenschappelijk voor nagenoeg de hele westerse, ontwikkelde wereld. En dit precies omwille van het feit dat algemene demografische processen aan de oorsprong liggen. Vanaf het ogenblik evenwel dat de pioniers-cohorten op hogere leeftijd komen, wordt een grotere differentiatie verwacht. De tweede demografische transitie is immers niet overal gelijktijdig begonnen en heeft zich niet overal op dezelfde wijze doorgezet. Hier spelen socio-culturele verschillen een grotere rol.
Download dit bestand
Auteur: dr. Edith Lodewijckx & prof. dr. Thérèse Jacobs
[ Edith Lodewijckx ]
Inleveringsdatum: 3 juni 2002
Bronvermelding: E. Lodewijckx & T. Jacobs, De burgerlijke staat van ouderen in 2000 en in 1990. De situatie in het Vlaamse Gewest, Bijdragen onderzoek - Ouderen, 19 juli 2002
© CBGS 2007
|